Skip Ribbon Commands
Skip to main content

 

 

Canon Politiegeschiedenishttps://www.politieacademie.nl/thema/Politiegeschiedenis/canonpolitiegeschiedenisCanon PolitiegeschiedenisKennis & Onderzoek
1880 - 1918https://www.politieacademie.nl/thema/Politiegeschiedenis/canonpolitiegeschiedenis/Pages/1880-1918.aspx1880 - 1918
1918 - 1940https://www.politieacademie.nl/thema/Politiegeschiedenis/canonpolitiegeschiedenis/Pages/1918-1940.aspx1918 - 1940
1940 - 1960https://www.politieacademie.nl/thema/Politiegeschiedenis/canonpolitiegeschiedenis/Pages/1940-1960.aspx1940 - 1960
1960 - hedenhttps://www.politieacademie.nl/thema/Politiegeschiedenis/canonpolitiegeschiedenis/Pages/1960-heden.aspx1960 - heden

01. De schout, zijn rakkers en de schutterij

Stel dat je vandaag in een tijdmachine zou kunnen stappen en daarmee 250 jaar terug in de tijd zou gaan. Stel dat je zou willen weten hoe de politie er toen uitzag en wat ze deed, dan zou je wel eens voor een grote verrassing kunnen komen te staan. We vinden het vandaag de dag heel gewoon om politieagenten over straat te zien lopen. Ook vinden we het heel gewoon dat die politieagenten een uniform en pet dragen en bewapend zijn met een pistool. In zeg 1750 was dat helemaal niet zo. Politie zoals wij die nu kennen, bestond nog helemaal niet.

In de grotere steden had je de schout en zijn rakkers. De schout was een hoger geplaatste dienaar van politie en de rakkers waren zijn helpers. De rakkers zijn dus te vergelijken met de huidige politieagent. De schout werkte voor het gemeentebestuur en hield zich vooral bezig met het opsporen van personen die iets op hun kerfstok hadden. Als hij en de rakkers een crimineel hadden gevangen, dan werd die voor de rechter gebracht en die besliste dan welke straf er werd opgelegd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het handhaven van de openbare orde werd gedaan door  schutterijen en de nachtwacht. De eersten waren gewapende burgers die bij oproer konden worden opgeroepen en als het nodig was met geweld de orde herstellen. De beroemde Nederlandse schilder Rembrandt maakte in de zeventiende eeuw een groot schilderij waarop de schutterij van Amsterdam stond. De bijnaam van dit schilderij werd, omdat het zo donker was, “De nachtwacht”.* De echte nachtwacht liep er meestal niet zo mooi gekleed bij als de mannen op het beroemde schilderij. Nachtwachters hadden de zware en ondankbare taak om in de nachtelijke uren ervoor te zorgen dat de burgers veilig konden slapen. De bedoeling was dat zij in de straten surveilleerden om te voorkomen dat het boevengilde bij de fatsoenlijke burgers kon inbreken. Vuurwapens hadden zij niet, meestal droegen ze een flinke stok bij zich en verder vaak een zogenaamde klepper. Dit was een soort houten steel met daaraan een hamer. Die steel werd als een bel heen en weer gezwaaid waardoor je een klepperend geluid kreeg. De nachtwaker liep zo door de straten en riep dan hoe laat en of alles rustig was. Een andere naam voor deze mannen was dan ook klepperman. Ongehoorzame kinderen werden nog wel eens bang gemaakt voor de klepperman, die zou hen komen ophalen als ze niet op tijd naar bed gingen. 

 

 

 

 

 

 

 

Als lid van de schutterij of de nachtwacht kon je dus niet verwachten dat je een mooi salaris kreeg, integendeel! Schutters werden opgeroepen als zij nodig waren en hadden in het dagelijkse leven een heel andere baan zoals koopman of winkelier. Eigenlijk deed je mee aan de schutterij omdat dat van je verwacht werd en je nu eenmaal iets voor je stad moest doen.

Nachtwakers waren vaak arme mensen die niet rond konden komen en dus een bijbaan als nachtwaker namen. Nachtwakers bungelden dus onderaan de sociale ladder en de rijkere burgers keken op hen neer. Van een echt politievak kon je ruim twee eeuwen geleden dus niet spreken. Rijkere burgers wilden nog wel in de schutterij en de armen moesten maar nachtwaker worden.

Soms liep de boel wel eens echt uit de hand. Als er bijvoorbeeld niet genoeg te eten was keerde de bevolking zich wel eens tegen hun leiders en bestuurders. Als dat het geval was riep men het leger te hulp. Soldaten, te voet en te paard, werden er dan op af gestuurd. Die maakten meestal korte metten met het verzet door vuurwapens en sabels te gebruiken. Het spreekt voor zich dat er dan al gauw doden konden vallen. Op zich hadden de bestuurders daar geen moeite mee. Onruststokers moesten maar stevig worden aangepakt, of je arm was en honger leed deed er niet zoveel toe.

Al met al werd er dus maar heel weinig uitgegeven aan alles wat met politietoezicht te maken had. Niemand vond het blijkbaar nodig om speciale politiekorpsen op te richten. Als er echt problemen waren kon je altijd nog de soldaten erbij roepen. Pas met de Franse revolutie in 1789 tekende zich voor Nederland iets nieuws af in de vorm van de gendarmerie. Gendarmen waren soldaten die speciaal bedoeld waren om de politiedienst te verrichten.

De schout