Lintopdrachten overslaan
Verdergaan naar hoofdinhoud

IK, en alleen IK

​Ze was jong, tenger en breekbaar. Toen we aankwamen stond ze alleen in een hoek van de stationshal. ‘Kijk’, zei ze met een trillende stem, en ze legde haar vinger op haar kin. ‘Ze sloeg me hier met haar vuist’. ‘Ik wilde niet dat ze achter me door het poortje glipte’.

Boven op het perron zie ik de verdachte staan; een fors gebouwde vrouw van een jaar of 40, precies zoals het meisje in de hal had beschreven. Als ik de agent met wie ik meerijd erbij haal, wordt ze direct boos en wil niet meewerken. ‘Jullie vallen mij lastig, alléén omdat ik zwart ben’, roept ze. De agent die zelf net als ik ook geen blond haar en blauwe ogen heeft, reageert kalm en beheerst. ‘Mevrouw, ik heb geen verstand van zwart of wit. Het slachtoffer wel, want zij is zelf zwart. Uw signalement komt overeen met haar beschrijving, vandaar dat ik u staande houd.’ En hij stelt haar identiteit vast voor nader onderzoek. Terug in de stationshal moedigen we het meisje aan om aangifte te gaan doen en de camerabeelden als bewijs op te voeren.

We zijn nog niet helemaal klaar als om assistentie wordt gevraagd voor een zeer ernstig ongeval met meerdere slachtoffers. Op de achterbank van de noodhulp auto word ik alle kanten op geslingerd. De wagen raast op hoge snelheid en met gierende sirene door de binnenstad, soms zelfs tegen de rijrichting in. De traumaheli landt vlakbij ons. Ik spring uit de auto zodat het medisch personeel naar de slachtoffers gereden kan worden. Achter de brede afzetting worden twee slachtoffers gereanimeerd. Tientallen politieagenten, medisch personeel en brandweerlieden vechten voor het leven van de twee. Bij de één lukt het niet, zijn zielloze lichaam blijft op het gras liggen. De borstkast van de tweede wordt ter plekke geopend voor een openhart reanimatie.

Ik heb daar niets te zoeken en wil er ook niet zijn. Niet omdat ik bang ben voor bloed. Uit gêne en respect voor de slachtoffers die er niet om hebben gevraagd om door mij bekeken te worden. Ook wil ik niemand in de weg lopen. Binnen de afzetting ga ik in een hoek staan en dan pas zie ik ze: tientallen toeschouwers staan met hun mobiele telefoon te filmen en te fotograferen. Een hoogzwangere vrouw stapt uit haar auto en laat het portier open. Lopend in mijn richting heeft ze haar mobieltje met gestrekte armen ter hoogte van haar hoofd vast. Als ik haar verbijsterd blijf aankijken zegt ze glimlachend: ‘Facebook live, ben benieuwd hoeveel Likes ik krijg’.

De tegenstelling grijpt me aan. Een mengeling van plaatsvervangende schaamte, woede en walging overdondert me en ik veeg snel een ontsnapte traan van mijn wang. Hoe haal je het in je lompe kop, denk ik bij mezelf. De zoon of de vader van iemand ligt daar in die berm te sterven. Zijn vrouw en kinderen kunnen het nu te zien krijgen. Hoe haal je het in je lompe kop?
Op het bureau zeg ik tegen de agent: ‘waarschijnlijk is het voor jullie ‘another day at the office’, maar ik kon er even niet tegen. In welke wereld zijn we beland?’ Hij kijkt me aan en zegt: ‘In de mijne.’

Over de schrijver

Keyvan Shahbazi, Cultureel psycholoog en gastdocent/onderzoeker aan de Politieacademie

Lees ook Keyvan's eerdere verhaal 'Zullen we verder kennismaken?'
En: ‘Be(ver)wondering'